Skip to main content

Kegeldraaien – tapsheid en instelhoek berekenen

Kennis

Een kegel is snel getekend, maar aan de draaibank moet je weten hoeveel graden je de bovenslede verdraait. Hier zie je hoe je uit de maten op de tekening de tapsheid en de instelhoek berekent en wanneer de losse kop geschikter is dan de bovenslede.

Kegel met grote diameter D, kleine diameter d, kegellengte L en halve kegelhoek
Een kegel wordt beschreven door de grote diameter D, de kleine diameter d en de kegellengte L. De hoek α/2 tussen beschrijvende lijn en as is de hoek waarover de bovenslede wordt verdraaid.

Tapsheid

De tapsheid geeft aan met hoeveel millimeter de diameter over een bepaalde lengte afneemt. Op tekeningen staat ze meestal als verhouding, bijvoorbeeld 1 : 10 – de diameter wordt over 10 mm lengte 1 mm kleiner.

C = D − dL
  • C tapsheid (als getal of als 1 : x)
  • D grote diameter in mm, d kleine diameter in mm
  • L kegellengte in mm

Instelhoek voor de bovenslede

De bovenslede wordt over de halve kegelhoek α/2 verdraaid. Die krijg je via de tangens. Omdat de diameter aan beide kanten van de as afneemt, staat het halve diameterverschil in de teller:

tan α2 = D − d2 · L = C2

Voorbeeld

Een kegel moet met de bovenslede gedraaid worden (D = 30 mm; d = 24 mm; L = 60 mm).

C = 30 mm − 24 mm60 mm = 0,1 = 1 : 10

tan α2 = 0,12 = 0,05   →   α2 ≈ 2,8624° ≈ 2° 51′ 45″

De bovenslede wordt over bijna 2° 52′ verdraaid. Radiaal moet je in totaal (30 − 24) / 2 = 3 mm aanzetten.

Graden, minuten, seconden

Veel schalen op de bovenslede zijn in graden en minuten verdeeld. De rekenmachine geeft decimale graden. Voor het omrekenen vermenigvuldig je de cijfers achter de komma met 60. Van 0,8624° · 60 = 51,74′ worden 51 minuten, en 0,74′ · 60 geeft ongeveer 45 seconden. 2,86° is dus niet 2° 86′, maar 2° 51′ 45″.

Bovenslede of losse kop?

De bovenslede kan elke hoek aan, maar de slag is kort en hij wordt met de hand bewogen. Voor lange, slanke kegels kun je in plaats daarvan de losse kop zijwaarts verstellen en het werkstuk tussen de centers met langsvoeding draaien. De verstelling hangt dan af van de totale werkstuklengte LW:

VR = D − d2 · LWL

Dat is alleen geschikt voor slanke kegels. Wordt de verstelling groter dan ongeveer een vijftigste van de werkstuklengte, dan lopen de centers scheef in de centergaten. Dat is het geval bij alle kegels die steiler zijn dan 1 : 25 – in het voorbeeld hierboven met 1 : 10 dus beter de bovenslede nemen.

Morsekegels en steilkegels

Gereedschapsopnames zijn genormde kegels. Morsekegels zijn erg slank en liggen afhankelijk van de maat net rond 1 : 20, maar niet precies – MK 3 heeft bijvoorbeeld ongeveer 1 : 19,922. Steilkegels voor freesopnames hebben 7 : 24 en zijn niet zelfhoudend, ze worden aangetrokken.

Typische fouten

  • Over α in plaats van over α/2 verdraaid: De kegel wordt twee keer zo steil.
  • Diameterverschil niet gehalveerd: In de tangens staat (D − d) / 2 boven L, niet D − d.
  • 1 : 10 als 10 ingevuld: Als getal is C = 0,1.
  • Kegellengte in plaats van werkstuklengte bij de losse kop: De verstelling heeft betrekking op de hele lengte tussen de centers.
  • Rekenmachine niet op graden gezet: De arctan geeft dan een waarde in radialen.
  • Decimale graden als minuten gelezen: 2,86° wordt 2° 51′ 45″, niet 2° 86′.